Actueel

Neurologie in het nieuws: de voorgaande weken

17-07-2017

Kwaliteitsindicator carotischirurgie benadeelt patiënt

De kwaliteitsindicator voor de timing van carotisendarteriëctomie bij patiënten met een symptomatische carotisstenose is: binnen veertien dagen na het eerste consult. Dit blijkt voor artsen een stimulans om zorgpaden efficiënt in te richten, maar heeft als bijeffect dat patiënten de behandeling ná deze termijn mogelijk niet meer krijgen. Terwijl die een herseninfarct kan voorkomen.

Bij patiënten met een recente transient ischaemic attack (TIA) of een niet-invaliderend herseninfarct, veroorzaakt door een hooggradige stenose in de ipsilaterale arteria carotis, kan chirurgische verwijdering van deze stenose – door middel van een carotisendarteriëctomie (CEA) – het risico op een recidief herseninfarct verlagen. Deze aanbeveling is gebaseerd op twee gerandomiseerde studies, uitgevoerd in de periode 1981-1996.1 2 De combinatie van doorgemaakte neurologische symptomen en de ernst van de stenose waren destijds de belangrijkste factoren om een CEA te laten verrichten.

Factor tijd
In de afgelopen jaren is daar de factor tijd aan toegevoegd, waarbij tijd bij voorkeur gedefinieerd is als het tijdsverloop tussen de eerste neurologische symptomen (het zogenaamde indexevent) en revascularisatie. De conclusie van een post-hoc-meta-analyse van bovenstaande trials was dat revascularisatie binnen veertien dagen na het indexevent effectiever is, wat betreft preventie van nieuwe herseninfarcten, dan een latere ingreep.3 4 Het aantal patiënten dat geopereerd moet worden om één herseninfarct in de komende vijf jaar te voorkomen (NNT) is 5 voor patiënten die binnen veertien dagen gerandomiseerd werden en 125 voor patiënten die na twaalf weken gerandomiseerd werden, wat betekent dat de operatie na twaalf weken niet meer zinvol is. Dit komt door een zeer hoog natuurlijk risico op een recidief herseninfarct in de eerste dagen na het indexevent, terwijl dit risico in de weken daarna geleidelijk afneemt en een plateau bereikt.

Lees het hele artikel op: https://www.medischcontact.nl/nieuws/laatste-nieuws/artikel/kwaliteisindicator-carotischirurgie-benadeelt-patient.htm?mailkey=&utm_medium=email&utm_source=mc_nieuwsbrief

Bron: Medisch Contact, 13 september 2018


Epilepsie kent dag-, week- en langere ritmes

Het lijkt erop dat er verschillende vaste ritmes bestaan bij epilepsie, waarbij patiënt op gezette tijden tijdens een etmaal, een week of nog langere periodes insulten hebben. Dit stellen Philippa Karoly e.a. op basis van een retrospectieve cohortstudie waarover ze in The Lancet Neurology schrijven.

Zij gebruikten twee databases waarin insulten van patiënten over een langere periode waren vastgelegd. In één dataset ging het om 15 mensen die minimaal een half jaar gemonitord werden met elektrodes. De andere dataset betrof zelfrapportage van ruim duizend mensen – alleen degenen met minimaal honderd gerapporteerde insulten werden geanalyseerd.

Bij meer dan 80 procent was sprake van een of meer terugkerende patronen van insulten. Dat ging meestal om circadiane ritmes (dat wil zeggen dat diegene vaak insulten op een bepaald moment van een etmaal had), maar er waren ook weekpatronen (bij 21%) en zelfs langere cycli (14-21%). Deze langere cycli waren niet voorbehouden aan vrouwen. Bij de mensen met circadiane ritmes waren de pieken vaker bij ontwaken en aan het eind van de dag. Er is niet gekeken of er een verband was met timing van medicatie, wat natuurlijk voor verdere analyse interessant is.

Bij weekritmes was er een minder duidelijk verschil, hoewel dinsdagen en woensdagen iets vaker de voorkeursdagen waren. Juist deze weekritmes zijn intrigerend, omdat niet bekend is of er fysiologische mechanismes zijn die deze kunnen verklaren. Van circadiane ritmes is dat wel bekend.

Het klinisch belang van de studie zit hem in de mogelijkheid om rekening te houden met eventuele ritmes, bijvoorbeeld door de timing en dosering van medicatie daarop aan te passen.

The Lancet Neurology: Circadian and circaseptan rhythms in human epilepsy: a retrospective cohort study

Bron: Medisch Contact, 13 september 2018


Nieuw medicijn vertraagt  hersenatrofie bij MS

Een bestaand medicijn vertraagt mogelijk progressieve multiple sclerose. Dat blijkt uit een fase-2-trial door R.J. Fox e.a. met het middel ibudilast, waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in The New England Journal of Medicine.

De onderzoekers includeerden 255 patiënten; de helft van hen kreeg het medicijn (oraal, maximaal 60, 80 of 100 mg ibudilast per dag), de andere helft kreeg een placebo, beide groepen gedurende 96 weken. Elke zes maanden werden MRI-scans gemaakt. Ibudilast bleek de atrofiëring van het brein met 48 procent af te remmen in vergelijking met de placebogroep, gemeten aan de hand van de parenchymale fractie in de hersenen.

Onzeker is in dit stadium of het verschil ook klinische gevolgen heeft in termen van symptomen of functieverlies. Bijwerkingen van ibudilast waren: hoofdpijn, depressie en gastro-intestinale klachten zoals misselijkheid en diarree. Het medicijn is in Azië beschikbaar voor de behandeling van astma en duizeligheid na een beroerte.

NEJM: Phase 2 Trial of Ibudilast in Progressive Multiple Sclerosis

Bron: Medisch Contact, 31 augustus 2018

Hersentrauma geeft meer kans op dementie

Mensen die traumatisch hersenletsel hebben gehad, krijgen later vaker dementie dan gemiddeld. Dit blijkt uit een observationele cohortstudie waarover Jesse Fann e.a. in The Lancet Psychiatry schrijven.

De onderzoekers gebruikten een Deens register om een mogelijk verband tussen traumatisch hersenletsel en dementie te onderzoeken. Van een cohort van 2,8 miljoen mensen hadden er 132 duizend in de periode 1977-2013 traumatisch hersenletsel doorgemaakt. Het ging om mensen die tussen 1999 en 2013 50 waren geworden of al ouder waren. Dementie die in die periode ontstond werd tussen beide groepen vergeleken. De kans op dementie was in de hersentraumagroep (na correctie voor verstorende factoren) ongeveer een kwart groter dan bij de rest. Ernstige en verse hersentrauma’s vergrootten de kans het meest (hazardratio 4,06 in het halfjaar na een letsel) en hoe meer hersentrauma’s, hoe groter de kans. Ter controle vergeleken de onderzoekers ook nog het risicoverschil tussen mensen met traumatisch hersenletsel en degenen met andere fracturen (niet van schedel of wervelkolom). Dat leverde een vergelijkbaar verschil op, waarmee het minder waarschijnlijk wordt dat er sprake is van omgekeerde causaliteit (mensen met – zich ontwikkelende – dementie lopen vaker hersenletsel op), of dat algemene traumareacties het verschil verklaren.

Er vallen wel wat kanttekeningen te maken bij deze studie. Zo zal niet alle hersenletsel, zeker de mildere gevallen niet, in zorgregisters staan. Ook gaat het om kleine verschillen in absolute cijfers: van de mensen met dementie had 94,7 procent nooit een hersenletsel doorgemaakt, en van degenen met dementie 95,3 procent. Gezien de toenemende aantallen ouderen zijn kleine verschillen echter wel relevant. De vraag is wel hoe deze risicofactor vervolgens te beïnvloeden valt. Wellicht valt winst te boeken met betere behandeling en revalidatie. Per land zal het verder verschillen hoe de meeste gevallen van hersenletsel ontstaan – verkeer of sport bijvoorbeeld – en die kennis is nodig om preventief te kunnen handelen.

The Lancet Psychiatry, 2018. Long-term risk of dementia among people with traumatic brain injury in Denmark: a population-based observational cohort study

Bron: Medisch Contact, 11 april 2018

Negatief advies MS-medicijn Fampridine

Fampridine moet niet worden opgenomen in het basispakket, zo heeft Zorginstituut Nederland (ZiN) vorige week in haar advies aan minister Bruins voor Medische Zorg geschreven. Uit onderzoek blijkt volgens het adviesorgaan dat het middel het loopvermogen van MS-patiënten niet of slechts zeer beperkt verbetert.

Verder blijkt dat het effect op de kwaliteit van leven niet beter is dan de gebruikelijke behandeling. MS-patiënten kunnen dan ook na 1 april niet langer aanspraak maken op de huidige voorwaardelijke vergoeding van fampridine (Fampyra), aldus het rapport.

Toenmalig minister Schippers van VWS, heeft fampridine eind 2015 voorwaardelijk tot het basispakket toegelaten – dit ging april 2016 in. Uit onderzoek tijdens de periode van voorwaardelijke toelating blijkt volgens het ZiN dat fampridine niet bewezen beter is dan de beste ondersteunende zorg. ‘Uit de resultaten blijkt onder meer dat van de tien patiënten die fampridine gebruiken, er ongeveer vier reageren op het middel, maar drie van hen zouden die respons ook hebben als ze een placebo gebruikten. Terwijl de veronderstelling is dat patiënten met multiple sclerose die nog niet in een rolstoel zitten, fampridine kunnen gebruiken om minder beperking te ervaren bij het lopen’, aldus het rapport.

ZiN (voorheen CVZ) heeft fampridine in 2012 al beoordeeld en adviseerde de minister van VWS toen om het middel niet op te nemen in het basispakket, omdat de effectiviteit niet was aangetoond.

Nederland telt ongeveer 17.000 mensen met MS. Op basis van de gegevens van de fabrikant is de schatting dat er nu ongeveer 1965 patiënten worden behandeld met fampridine. Als fampridine blijvend deel zou uitmaken van het basispakket, zou dit gepaard gaan met uitgaven variërend tussen ongeveer 7 en 20 miljoen euro per jaar. 

De MS-werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN) waarvan onder meer de MS-neurologen van VUmc lid zijn, is teleurgesteld over het advies. Het vraagt de minister om het advies niet te volgen. De werkgroep zet vraagtekens bij de afweging die ZiN heeft gemaakt tussen de gemeten gunstige effecten en bijwerkingen. De werkgroep wijst erop dat op basis van dezelfde gegevens de European Medicines Agency (EMA) juist gunstig heeft geoordeeld over Fampyra.

Bron: Medisch Contact 13 maart 2018

Hersenen mogelijk toch minder plastisch

De aanname dat ook de volwassen hersenen nieuwe neuronen aanmaken is misschien niet helemaal correct. Dat zou betekenen dat de plasticiteit van het brein wordt overschat.

Shawn Sorrells e.a. verzamelden bij 59 personen postmortem of postoperatief weefsel van de hippocampus, een structuur die de aandacht heeft van onderzoekers, omdat hij betrokken is bij processen van leren en geheugen en bij het ontstaan van depressie, schizofrenie en de ziekte van Alzheimer. Sorrells e.a. gebruikten een reeks antilichamen als ‘markers’ om neurale voorlopercellen te kunnen identificeren. De uitkomst was nogal verrassend: ze vonden zulke voorlopercellen en ook onrijpe zenuwcellen weliswaar in foetussen en kinderen, maar ze ontbraken bij volwassenen boven de 18 jaar. Het lijkt erop dat de aanmaak van nieuwe neuronen in dit deel van de hersenen dus stopt tijdens de volwassenheid.

Collega-onderzoekers reageren sceptisch op deze uitkomsten, die zijn gepubliceerd in Nature. Zo memoreert pionier Fred Gage in The Scientist dat tal van factoren de aanmaak van nieuwe neuronen kunnen bevorderen, zoals leefstijl en activiteit, en dat daarover in deze studie niets bekend is. Ook commentator Jason Snyder plaatst in Nature methodologische kanttekeningen. Volgens hem kan het feit dat de neurogenese lijkt op te houden een artefact zijn van de wijze waarop is gemeten. Er is namelijk veel debat over met welke ‘markers’ voorlopercellen het best zijn op te sporen. Bovendien: als neurogenese in de volwassen hippocampus inderdaad niet bestaat, dan nog kunnen andere vormen van neuroplasticiteit een rol spelen, zoals veranderingen in de synaptische transmissie.

Bron, Medisch Contact 13 maart 2018

Alles over hoofdpijn en aangezichtspijn

afbeelding boek hoofdpijn.jpg    
De geheel herziene en uitgebreide editie van de ‘hoofdpijnbijbel’ Alles over hoofdpijn en aangezichtspijn van de Leidse neurologen Michel Ferrari en Joost Haan die onlangs verscheen, besteedt onder veel meer aandacht aan een nieuwe behandeling van migraine (met CGRP-antagonisten) en nieuwe hoofdpijnsyndromen, zoals vestibulaire migraine, epicrania fugax en munthoofdpijn. Zeer leesbaar en daarom geschikt voor behandelaars én patiënten.

Het boek is te bestellen.

Bron: Medisch Contact, 21 februari 2018

Een op de vier Nederlanders heeft hersenaandoening

Een op de vier Nederlanders heeft een hersenaandoening en een op de vijf sterfgevallen is het gevolg van een hersenaandoening. Dit blijkt uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in opdracht van de Hersenstichting.

In 2016 stonden er in totaal 3,8 miljoen mensen bij de huisarts geregistreerd met een hersenaandoening in de breedste zin van het woord, van hersenletsel tot dementie. Omdat veel mensen geen medische hulp zoeken en niet geregistreerd worden, ligt het daadwerkelijke aantal patiënten volgens de Hersenstichting nog hoger. Volgens de stichting bedragen de zorgkosten voor de ziekten jaarlijks ruim 25 miljard euro, ofwel 27 procent van de totale zorgkosten in Nederland.

De onderzoekers beschouwen psychische stoornissen ook als hersenaandoeningen. Dit is meteen ook de grootste groep: bijna 2 miljoen Nederlanders lijden aan een psychische stoornis, zoals persoonlijkheidsstoornissen, depressie of angst- en paniekstoornissen. Na psychische stoornissen volgen chronische hersenaandoeningen zoals dementie of de ziekte van Parkinson, waaraan ruim 1,3 miljoen mensen lijden. Erna volgen mensen met hersenletsels (645.900 mensen), slaapstoornissen (506.200 mensen) en verstandelijke handicaps (100.400 mensen).

Het onderzoek is uitgevoerd in verband met een op maandag 27 november 2017 begonnen campagne om mensen bewust te maken van de omvang en impact van een hersenaandoening.

Bron: Medisch Contact, 27 november 2017

Diabetesmiddel mogelijk van nut bij parkinson

Het diabetesmiddel exenatide lijkt symptomen van parkinson iets te verminderen. Dit blijkt uit een gerandomiseerde trial die Dilan Athouda e.a. uitvoerden. De resultaten verschenen in The Lancet.

Exenatide is een glucagon-like peptide-1 (GLP-1) agonist die staat geregistreerd voor de behandeling van diabetes type 2. Uit dierproeven en een eerdere kleine test op mensen leek exenatide motorische en cognitieve symptomen bij parkinson te verminderen. Om dit verder na te gaan is het middel getest bij 62 patiënten, van wie er 32 exenatide (1x/week 2 mg subcutaan) kregen, en 30 een placebo. Daarnaast gebruikten ze hun dopaminerge medicijnen. Na 48 weken behandeling en 12 weken ‘washout’ vergeleken de onderzoekers de scores op het motorische deel van een veelgebruikte schaal, de MDS-UPDRS. Dit gebeurde in de off-fase.

In de behandelgroep was de score met 1 punt verbeterd, in de placebogroep 2 punten verslechterd. Ook na correctie voor verstorende factoren bleef er een significant verschil tussen beide. Er traden in beide groepen evenveel bijwerkingen op. Er waren geen significante verschillen in andere scores, en ook niet in de motorische score in de on-fase. Zoals de auteurs zelf ook zeggen: het middel verbetert de kwaliteit van leven niet meer bovenop de werking van dopaminerge medicatie. Desondanks zijn de resultaten interessant, zeker omdat een effect van de medicatie ook drie maanden na het stoppen ervan meetbaar is. Dat zou kunnen wijzen op meer dan symptomatische verbetering, en op een beschermend effect van het middel. Dat wil zeggen: mogelijk grijpt het in op hoe snel de ziekte vordert. Het is te vroeg om die conclusie te trekken, gezien de vragen die na deze vrij kleine studie nog bestaan. Ongetwijfeld volgen binnenkort meer onderzoeken die de rol van GLP-1-agonisten en verwante middelen bij neurodegeneratieve aandoeningen onder de loep nemen.

The Lancet, 2017. Doi: 10.1016/S0140-6736(17)31585-4 en 10.1016/S0140-6736(17)32101-3

Bron: Medisch Contact, 9 augustus 2017

Bloedingsrisico na herseninfarct te voorspellen

Artsen kunnen de kans op een ernstige bloeding voorspellen bij patiënten die vanwege een herseninfarct trombocytenaggregatieremmers gebruiken. Nina Hilkens e.a. publiceren over dit voorspelmodel in Neurology. Volgens Hilkens is dit een eerste stap op weg naar een manier om af te wegen of er patiënten te identificeren zijn bij wie de risico’s van behandeling groter zijn dan de voordelen.

De onderzoekers gebruikten gegevens van meer dan veertigduizend patiënten uit zes gerandomiseerde trials die het effect van bijvoorbeeld aspirine en/of clopidogrel na een herseninfarct onderzochten. Ze gingen na wat de relatie was tussen een scala aan indicatoren en de kans dat een ernstige bloeding optrad in de eerste drie jaar na het infarct. Daaruit selecteerden zij de factoren die bij elkaar opgeteld een redelijke inschatting geven van die kans. Verreweg de belangrijkste daarvan was leeftijd, maar ook bijvoorbeeld sekse, roken, en welke plaatjesremmer dragen bij. Hier rolt uiteindelijk een score uit, met de naam S2TOP-BLEED, die het risico weergeeft. Ter controle lieten ze het model los op een andere groep mensen. In die groep was de kans op een bloeding wat hoger (in de gehele populatie 5,5% versus 4,6 in de eerste onderzoeksgroep). Het voorspelmodel onderschatte de kans dan ook iets.

Hilkens benadrukt dat S2TOP-BLEED nog niet geschikt is om te gebruiken bij het maken van een keuze voor een plaatjesremmer. Een complicerende factor is onder meer dat die factoren die de kans op een bloeding verhogen, hetzelfde doen met de kans op een nieuw infarct. Hilkens: ‘We moeten de balans tussen die risico’s beter in kaart krijgen. Een volgende stap is om te kijken of we risicogroepen kunnen identificeren bij wie plaatjesremmers meer nadelen dan voordelen hebben, bijvoorbeeld door deze gegevens te combineren met data over de kans op een nieuw infarct zonder plaatjesremmers.’

Neurology, 2 augustus 2017. Doi: 10.1212/WNL.0000000000004289

Bron: Medisch Contact, 8 augustus 2017

Micro-infarcten in het brein beter in beeld

Met behulp van MRI zijn micro-infarcten in de hersenen zichtbaar te maken, zo blijkt uit een reviewartikel door een internationale groep neurologen onder leiding van hoogleraar neurologie Geert Jan Biessels (UMC Utrecht) dat vandaag is gepubliceerd op de website van The Lancet Neurology. Dat is belangrijk, aldus de onderzoekers, omdat het gericht onderzoek in grote datasets mogelijk maakt naar de klinische betekenis van die laesies, de prognostische waarde ervan, naar risicofactoren en uiteindelijk naar preventie.

Meer dan de helft van de patiënten met dementie heeft micro-infarcten, zo is bekend dankzij post-mortemonderzoek. Waarschijnlijk verstoren al die infarctjes hersennetwerken waardoor de negatieve effecten wijd verbreid zijn over de hersenen. Het aantal van deze infarcten per patiënt varieert naar schatting van enige honderden tot soms zelfs duizenden.

Tot een paar jaar geleden was het niet mogelijk om deze micro-infarcten goed in beeld te brengen. Maar vijf jaar geleden slaagde de groep van Geert Jan Biessels daar met behulp van een 7 Tesla MRI wel in. Vervolgonderzoek liet zien dat de micro-infarcten wel degelijk ook op de ‘gewone’ 3 Tesla MRI zichtbaar zijn te maken. Biessels legt uit: ‘Met internationale collega’s hebben we nu standaarden afgesproken hoe je die micro-infarcten kunt aantonen. Daarnaast hebben we samen met de Technische Universiteit Eindhoven een softwareprogramma ontwikkeld waarmee deze kleine infarcten automatisch kunnen worden gedetecteerd. Met deze ontwikkelingen zal het veld in een stroomversnelling komen.’

Volgens Biessels leidt een ‘spectrum van verschillende aandoeningen’ tot de micro-infarcten. ‘Het is sterk afhankelijk van de setting waarin je patiënten ziet. Twee voorbeelden: bij patiënten met hartproblemen zullen kleine embolieën vanuit het hart de oorzaak zijn. Bij mensen met grote hersenbloedingen kunnen de micro-infarcten veroorzaakt worden door cerebrale amyloïdangiopathie. Dat heeft tot gevolg dat er geen eenduidige preventiestrategie zal zijn, maar dat afhankelijk van de setting maatwerk nodig is. Zo weten we nu al dat het cholesterolgehalte of glucosewaarden waarschijnlijk geen invloed hebben op het ontstaan van deze infarcten en dat dus de bestaande preventieprogramma’s, die zijn ontwikkeld om schade aan de grote vaten te voorkomen, hier niet van toepassing zijn.’

http://www.thelancet.com/journals/laneur/onlineFirst

Bron: Medisch Contact, 17 juli 2017

Behandeling menstruele migraine effectiever dankzij samenwerking neuroloog en gynaecoloog

Zo'n 2 tot 2,5 miljoen volwassenen in Nederland hebben migraine. Afhankelijk van de leeftijd lijden 2 à 3 keer zoveel vrouwen als mannen aan migraine. Migraine heeft een grote impact op de levens van patiënten en hun naasten. Helaas is migraine niet te genezen, maar gelukkig zijn er inmiddels steeds betere behandelmethoden. Uit recent onderzoek van Peter van den Berg, neuroloog bij Isala te Zwolle/ Meppel blijkt dat vrouwen met menstruele migraine veel baat hebben wanneer neuroloog en gynaecoloog samenwerken.

Menstruele migraine
'Een grote groep mensen, waarvan het overgrote deel vrouw, kampt met ernstige hoofdpijnklachten of migraine', legt Van den Berg uit. 'Een regelmatige levensstijl kan al verschil uit maken maar veel patiënten hebben daarnaast ook verdere behandeling nodig. Menstruele migraine is één van de vormen waar we nog weinig van weten. Het is een moeilijk behandelbare en hormoonafhankelijke vorm, die een andere aanpak vereist. Sterker nog, reguliere behandeling lokt soms heftige reacties uit. Vrouwen die hieraan lijden zijn over het algemeen meer gebaat bij een hormonale behandeling door de gynaecoloog.'

Om vrouwen die aan deze vorm lijden zo snel mogelijk de juiste behandeling te kunnen bieden, voerde neuroloog Van den Berg een aantal jaren geleden de multidisciplinaire behandeling in. Vrouwen die op de Isala Hoofdpijnpolikliniek belanden, worden in eerste instantie gezien door een hoofdpijnverpleegkundige. Onder meer aan de hand van een vragenlijst kan informatie worden opgehaald, die iets zegt over de vorm van de migraine. Als blijkt dat het gaat om menstruele migraine, wordt de patiënt doorverwezen naar de gynaecoloog.

Onderzoek
Om de positieve ervaring met de multidisciplinaire behandeling ook te staven met cijfers, liet Van den Berg een onderzoek uitvoeren. In het onderzoek 'Treatment of menstrual migraine; multidisciplinary or mono-disciplinary', werd data van twee groepen vrouwen met menstruele migraine vergeleken: De eerste groep had alleen een neurologische behandeling ontvangen en de tweede een behandeling waarbij naast de neuroloog ook de gynaecoloog in een vroeg stadium werd ingeschakeld. Bij deze laatste vrouwen bleken de gemiddelde hoofdpijndagen tijdens de behandeling veel sterker gedaald. Bovendien maakten deze vrouwen ook minder gebruik van pijnstillers.

'Geen verrassende uitkomst, maar wel fijn dat we nu ook kunnen aantonen dat de multidisciplinaire behandeling ook daadwerkelijk meerwaarde heeft', aldus Van den Berg. 'Inmiddels is er al veel belangstelling getoond en is het onderzoek al heel wat keren gedownload. Hopelijk worden hierdoor nog meer vrouwen met menstruele migraine effectiever geholpen.'

Meer informatie, kijk op http://www.isala.nl/patienten/folders/5306-hoofdpijnpolikliniek

Bron: Isala Klinieken, 10 juli 2017

 

Dementie in 2014 naar verwachting voornaamste doodsoorzaak

Dementie is in 2040 naar verwachting de belangrijkste doodsoorzaak in Nederland. Het aantal mensen dat overlijdt als gevolg daarvan groeit de komende 23 jaar vermoedelijk van 14.000 tot bijna 40.000, blijkt uit een woensdag verschenen onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). 

De toename van sterfte door de ouderdomsziekte komt onder andere door de vergrijzing. Tegelijkertijd gaan er de komende jaren naar verwachting minder mensen dood aan de gevolgen van hart- en vaatziekten en kanker.

Het gezondheidsinstituut voorziet ook dat ouderdomsziekten als gewrichtsaandoeningen, diabetes (suikerziekte) en gezichts- en gehoorstoornissen sterk gaan toenemen.

Zo zal bijvoorbeeld het aantal mensen met artrose in 2040 naar verwachting bijna zijn verdubbeld tot 1,2 miljoen mensen. Het aantal mensen met minimaal één chronische aandoening stijgt van 8,5 miljoen tot bijna 10 miljoen.

''Toch voelen we ons in 2040 even gezond als nu, en we ervaren ook niet meer beperkingen in onze activiteiten. Het percentage ouderen dat zich gezond voelt neemt zelfs iets toe. Dit geldt ook voor het percentage dat zich niet beperkt'', stelt het RIVM vast op basis van het doortrekken van historische trends.

Kosten zorg
Het RIVM becijferde ook dat de uitgaven in zorg jaarlijks met gemiddeld 2,9 procent zullen groeien. Hierdoor verdubbelen de zorguitgaven tot 174 miljard in 2040. Deze toename komt voor een derde door bevolkingsgroei en vergrijzing en voor twee derde door technologie en stijging van de welvaart.

De uitgaven aan kanker stijgen het hardst. Deze groei is bijna helemaal toe te schrijven aan technologische ontwikkelingen, zoals nieuwe medicatie.

Bron: nu.nl, 5 juli 2017

Zuivel met laag vetgehalte vergroot kans op Parkinson

Personen die minstens drie porties magere zuivel per dag eten, zouden meer risico lopen op het ontwikkelen van Parkinson dan mensen die dagelijks minder dan één portie consumeren.

Dat blijkt uit een grote studie onder ruim 80.000 vrouwen en 48.000 mannen, gepubliceerd in Neurology. Van hen werden ongeveer 25 jaar lang data over hun gezondheid bijgehouden, aan de hand van enquêtes die zij elke twee jaar invulden. Om de vier jaar beantwoordden ze ook vragen over hun eetgewoonten.

Tijdens de onderzoeksperiode ontwikkelden 1.036 personen de ziekte van Parkinson, meldt Medical Xpress. De onderzoekers bekeken welke soorten zuivel de onderzoekdeelnemers consumeerden. Daaruit bleek geen opmerkelijk verband tussen de ziekte en de consumptie van zuivel met een hoog vetpercentage, zoals volle melk.

Drie porties
Echter bleek dat mensen die dagelijks minstens drie porties magere zuivel aten, 34 procent meer kans hadden op het krijgen van de ziekte van Parkinson vergeleken met mensen die minder dan één dagelijkse portie aten.

Er werd vooral een sterk verband gevonden wat betreft de consumptie van magere melk: mensen die deze drank vaak (meer dan één glas per dag) dronken, zagen hun kans op de ziekte met 39 procent toenemen. Algeheel werd er een lichte toename aangetroffen in de ontwikkeling op de ziekte door de consumptie van zuivel.

Relatief laag
De onderzoekers benadrukken dat de toegenomen kans alsnog relatief laag is. Van alle 5.830 personen die dagelijks minstens drie porties magere zuivel aten, ontwikkelden 60 mensen (1 procent) de ziekte gedurende de onderzoeksperiode. Van de groep die minder dan een portie magere zuivel aten per dag, kregen 483 mensen uiteindelijk Parkinson.

Bron: NU.nl, 8 juni 2017

Vierde Alzheimer-gen gevonden

Voor het eerst sinds bijna dertig jaar is er een gen vastgesteld dat betrokken is bij het ontstaan van een erfelijke vorm van de ziekte van Alzheimer. Er waren al drie genen bekend, maar onderzoekers van VUmc, Erasmus MC en de TU Delft hebben nu een vierde gen gevonden: het SORL1-gen.

Het is voor patiënten en hun familie van groot belang te weten of de ziekte van Alzheimer bij hen een erfelijke oorzaak heeft. Bovendien levert kennis over erfelijkheid nieuwe inzichten op over de processen die betrokken zijn bij de ziekte van Alzheimer.

Familiaire alzheimer zeldzaam
Familiaire alzheimer is een zeldzame vorm van de ziekte, waarbij de aandoening overerft van ouder op kind en op jonge leeftijd tot dementie leidt. In de jaren '90 van de vorige eeuw werd duidelijk dat een afwijking in een van drie genen (PSEN1, PSEN2 en APP) het ziektebeeld in een deel van deze families kan verklaren.

Eerdere wetenschappelijke publicaties toonden aan dat genetische afwijkingen in het SORL1-gen het risico op de ziekte van Alzheimer verhogen. Maar het bleef onduidelijk welke afwijkingen in het SORL1-gen gevaarlijk zijn en welke niet.

Andere groep patiënten onderzocht
Anders dan bij de studie naar de eerste drie genen, hebben de onderzoekers van VUmc niet gezocht naar afwijkingen in het SORL1-gen binnen de leden van families waarin erfelijke alzheimer voorkomt, maar binnen een grote groep van 2.000 anonieme Nederlandse alzheimerpatiënten en gezonde proefpersonen.

Hoofdonderzoeker dr. Henne Holstege: "Door de SORL1-afwijkingen te sorteren aan de hand van hun eigenschappen zagen we dat sommige afwijkingen in het SORL1-gen vrijwel zeker tot dementie leiden.

Anderen leiden tot een meer dan tienvoudige verhoging van het risico op dementie, en weer anderen bleken goedaardig." De onderzoekers konden deze bevindingen bevestigen in een tweede, onafhankelijke groep van 3.000 eveneens anonieme alzheimerpatiënten en gezonde proefpersonen. De resultaten maken duidelijk dat het SORL1-gen nu echt bijgeschreven moet worden als het vierde in de rij van oorzakelijke alzheimer- genen.

Keuzes bij de ziekte van Alzheimer
Met de ontdekking van dit gen kan in de toekomst bij meer patiënten met de ziekte van Alzheimer een oorzaak worden gevonden voor de ziekte. Er zijn nog steeds veel families waarin de ziekte van Alzheimer relatief vaak voorkomt, waarbij geen mutatie in de bekende drie oorzakelijke genen wordt gevonden.

Mogelijk is er dan wel sprake van de aanwezigheid van een SORL1-mutatie. In dat geval kunnen familieleden zich laten voorlichten hierover en eventueel keuzes over hun toekomst daarop aanpassen.

Ophoping van alzheimereiwitten
De vaststelling van afwijkingen in het SORL1-gen die de ziekte van Alzheimer veroorzaken, is ook belangrijk voor verder onderzoek naar het ontstaan van de ziekte. Net als de eerder gevonden genen is ook SORL1 betrokken bij het voorkómen van ophopingen van alzheimereiwitten in de hersenen: amyloïde plaques.

Bron: VUmc, 8 juni 2017

Nieuwe aanwijzing: Parkinson begint in darmen

Opnieuw zijn er aanwijzingen gevonden voor de theorie dat de oorsprong van de ziekte van Parkinson is te vinden in het darmstelsel en dat de ziekte zich via de nervus vagus naar de hersenen verspreidt.

In een studie gepubliceerd in Neurology vergeleken Bojing Liu en andere Zweedse onderzoekers 9430 patiënten die een vagotomie hadden ondergaan over periode van veertig jaar met 377.200 mensen uit de algemene populatie. In dat tijdvak kregen 101 personen met een vagatomie de ziekte van Parkinson (1,07%). In de controlegroep kregen 4829 mensen de ziekte (1,28%). Dat is geen significant verschil.

Maar bij nadere beschouwing stelden de onderzoekers toch iets interessants vast. Sommige patiënten ondergingen namelijk een truncale stamvagotomie, waarbij de linker- en de rechtervagustak helemaal wordt doorgesneden. Anderen ondergingen selectieve vagotomie; daarbij worden alleen de zenuwvezels naar de maag doorgesneden.

In de eerste groep was de kans om parkinson te krijgen (als dit type vagatomie minstens vijf jaar eerder was toegepast) 40 procent lager dan in de andere groep. De mogelijke verklaring gaat als volgt: parkinson kenmerkt zich onder meer door verlies van dopaminerge neuronen in de substantia nigra en de vorming van Lewy bodies. Juist die Lewy-pathologie zou zijn oorsprong vinden in het enterische zenuwstelsel en via de nervus vagus zijn weg vervolgen naar de hersenen. Wordt de nervus vagus onklaar gemaakt, dan zou dat dus de kans op de ziekte moeten verminderen, hetgeen de onderzoekers vonden. Ze benadrukken dat het gaat om ‘preliminaire bevindingen’.

Bron: Medisch Contact, 1 mei 2017

Neurologen delen maandelijks hun kennis en ideëen over Parkinson

Elke maand komen neurologen uit Noord-Nederland vrijwillig bij elkaar om kennis uit te wisselen over parkinson. Nuttig en ook gezellig. Medisch Contact is een avond te gast en onder meer getuige van een levendige discussie over de cannabishype.
Lees het hele verslag.  

Bron: Medisch Contact, 13 april 2017

Spinale manipulatie verlicht lage rugpijn

Patiënten met acute lage rugklachten hebben enige baat bij spinale manipulatie. De werking houdt zo’n zes weken aan. Dat blijkt uit onderzoek gepubliceerd in JAMA.

Neil Paige e.a. deden een meta-analyse van studies waarin het effect van spinale manipulatie versus  non-manipulatieve behandelingen werd vergeleken. Van de  26 RCT’s die ze opnamen in hun analyse, lieten er 15 (n=1711)evidentie zien dat spinale manipulatie enig effect heeft: het verlichtte de pijn en verbeterde de functie. Bijwerkingen van betekenis traden niet op, behoudens wat spierstijfheid en hoofdpijn – beide van tijdelijke aard.

Maar, haasten de onderzoekers zich te melden, de resultaten van de diverse RCT’s liepen nogal uiteen. Hoe die heterogeniteit te verklaren is, weten ze niet goed. De analyse wijst uit dat ze niet kan worden toegeschreven aan factoren zoals de persoon van de clinicus, het type manipulatie of de kwaliteit van de studie.

Volgens commentator Richard Deyo, hoogleraar ‘Evidence-Based Medicine’ aan de Oregon Health and Science University, zijn er momenteel voor lage rugpijn maar liefst  tweehonderd behandelingen beschikbaar. Geen van die behandelingen is superieur. Daar komt bij dat de etiologie van lage rugklachten vaak niet duidelijk is, wat maakt dat de keuze voor een van die behandelingen vaak op persoonlijke voorkeur van de clinicus berust. 

Het is onduidelijk waarop de werkzaamheid van spinale manipulatie berust, aldus Deyo. Dat neemt niet weg dat het een reële behandelingsoptie is die symptoomverlichting kan brengen. In dat opzicht doet spinale manipulatie ook niet onder voor andere (non-)farmacologische therapieën.  Bedenk daarbij wel, benadrukt de commentator, dat de klachten bij de meeste patiënten door natuurlijk beloop weer verdwijnen. 

Bron: Medisch Contact, 12 april 2017

Honderd misverstanden over Parkinson

Er bestaan nog veel misvattingen over parkinson. Daarom publiceert Parkinsonnet – 200 jaar na de eerste beschrijving van de ziekte door de Britse James Parkinson – een lijst met 100 misverstanden over de ziekte.

De lijst op Parkinsonnet moet in de komende maanden worden uitgebreid met nog eens 100 misverstanden. De misverstanden gaan onder meer over symptomen, behandeling en gevolgen van parkinson, maar ook over trivia zoals de foto van James Parkinson en beroemdheden met parkinson.

Een van de belangrijkste misverstanden over parkinson is dat de ziekte alleen oudere mensen treft, stelt Bas Bloem, hoogleraar neurologie  aan het Radboudumc. 10 tot 15 procent van de patiënten krijgt de diagnose voor hun veertigste. De jongste patiënt van Bloem is 13 jaar oud. Hij benadrukt dat het niet alleen een motorische ziekte is, maar dat het een breed scala aan niet-motorische problemen veroorzaakt. Deze hebben een grote impact op het hele leven van de patiënt.

Bron: Medisch Contact, 11 april 2017

Beweging en beroerte

Geregeld en intensief bewegen is mogelijk een goede voorspeller voor het herstel na een beroerte. Pamela Rist e.a. (o.a. verbonden aan Harvard-universiteit) concluderen dat in een prospectieve cohortstudie gepubliceerd in Neurology. Intensief sporten of een andere vorm van intensieve lichamelijke activiteit (zwaar werk bijvoorbeeld) en dat minstens driemaal per week voor meer dan drie jaar maakt dat mensen die een beroerte krijgen minder afhankelijk zijn van allerlei hulp dan ‘inactieven’. Een verband tussen BMI en de mate van herstel na een beroerte vonden de onderzoekers verrassend genoeg niet.

De onderzoekers volgden 18.117 personen en brachten om de twee jaar in kaart hoe het stond met hun dagelijkse activiteiten, lengte, gewicht en hun sport- c.q. activiteitregime. 1853 individuen kregen een beroerte, 479 van hen overleden ten gevolge daarvan. Van de mensen die geen beroerte kregen, was 45 procent fysiek actief. Van de mensen die een beroerte kregen maar overleefden, was 43 procent fysiek actief. Van de mensen die daaraan overleden was 26 procent actief geweest.

De auteurs laten aldus zien dat routinematige, stevige fysieke activiteit niet tegen (de invaliderende gevolgen van) een beroerte beschermt, maar dat het er wel op lijkt dat veel bewegen bevorderlijk is voor de revalidatie. Toch zijn Rist e.a. voorzichtig omdat mensen die na een beroerte ‘afhankelijk’ worden dat meestal voordien ook al waren. Dat kan erop duiden dat op zijn minst sommigen al functionele beperkingen hadden voordat ze een beroerte kregen, en dat dit fysieke activiteit dus verhinderde. Misschien waren ze dus sowieso wel ongezonder.

Neurology: http:/​/​dx.​doi.​org/​10.​1212/​WNL.​0000000000003888

Bron: Medisch Contact, 7 april 2017

Verband migraine en arteriële dissectie
Bij jong volwassenen met een Cervicale Arteriële Dissectie (CEAD) komt migraine zonder aura significant vaker voor. Valeria De Giuli e.a. publiceerden dit onderzoeksresultaat in de JAMA Neurology.

In deze prospectieve cohort studie met 2485 patiënten van 18 tot 45 jaar kregen 334 patiënten een ischemische beroerte door een CEAD. Hiervan had 24,0% een migraine zonder aura, ten opzichte van 15,6% in de groep die niet door een CEAD veroorzaakt werd. Dit impliceert dat er gemeenschappelijke biologische mechanismen spelen. Genetische gevoeligheid en endothele disfunctie stellen de auteurs als plausibele onderliggende factoren.

Bron: Medisch Contact, 10 maart 2017

Beroerte op jonge leeftijd werkt lang door
Steeds meer jonge mensen krijgen een beroerte (een TIA, herseninfarct of hersenbloeding). Epilepsie komt veel voor bij deze groep patiënten en heeft langdurige gevolgen, ook bestaat er een levenslang verhoogd risico op nieuwe hart- en vaatziekten. Dit blijkt uit promotieonderzoek van Renate Arntz van het Radboudumc.

Arts en onderzoekster Renate Arntz heeft het langetermijnrisico onderzocht op complicaties na het doormaken van een beroerte van mensen tussen de 18 en 50 jaar. Het aantal mensen dat op jonge leeftijd een beroerte krijgt, neemt de laatste jaren toe. Dit lijkt vooral te komen door het meer voorkomen van risicofactoren voor hart- en vaatziekten, zoals roken en hoge bloeddruk.

Juist voor jonge patiënten, die over het algemeen nog een heel leven voor zich hebben, is kennis over de eventuele langetermijngevolgen belangrijk, volgens het Radboudumc. Maar hierover is weinig bekend. Epilepsie is een veelvoorkomende complicatie na een beroerte op jonge leeftijd. Ook is het ontwikkelen van epilepsie geassocieerd met een slechter (cognitief) functioneren en een hoger overlijdensrisico.

Hart- en vaatziekten
Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat mensen die op jonge leeftijd een beroerte krijgen levenslang een verhoogd risico houden op het ontstaan van nieuwe hart- en vaatziekten, vooral patiënten met klassieke risicofactoren zoals roken, een hoge bloeddruk of overgewicht. Arntz laat zien dat veel van deze patiënten meer dan tien jaar eerder in hun leven dezelfde beschadigingen hebben aan de kleine bloedvaten in de hersenen dan gezonde controle personen.

De resultaten uit het onderzoek zijn gebaseerd op de FUTURE- studie in het Radboudumc naar de oorzaken en langetermijngevolgen van patiënten die op jongere leeftijd een TIA, herseninfarct of hersenbloeding doormaken. In dit onderzoek zijn ruim duizend patiënten gemiddeld tien jaar gevolgd. Naast het beter kunnen informeren van patiënten over hun ziektebeloop, zijn deze inzichten volgens het Radboudumc ook bruikbaar voor mogelijk toekomstig onderzoek naar het voorkómen van complicaties.

Bron: Skipr, 3 maart 2017

Fietshelm voor kinderen

Kinderneuroloog dr. Zwany Metting ziet in het ziekenhuis veel kinderen met traumatisch schedelhersenletsel. Niet verwonderlijk dat ze haar zoon een fietshelm op zet.

Traumatisch hoofdletsel
'Tijdens mijn opleiding ben ik gepromoveerd op onderzoek naar traumatisch hersenletsel. Ik onderzocht met beeldvormende technieken de pathologische mechanismen van traumatisch schedelhersenletsel en bekeek of deze technieken een voorspellende waarde hadden voor de uitkomst op langere termijn. In mijn huidige werk als kinderneuroloog zie ik vaak kinderen met traumatisch hersenletsel. Uit de praktijk maar ook uit onderzoek weten we dat de langetermijngevolgen aanzienlijk kunnen zijn. Gelukkig gaat het meestal om licht traumatisch schedelhersenletsel, maar zelfs dat kan bij kinderen langere tijd klachten geven, zoals veranderd gedrag, concentratiestoornissen of hoofdpijn. Een klein deel houdt deze klachten. En dan zien we natuurlijk ook nog de kinderen met ernstiger letsels.'

Altijd helm op
'Vanaf het eerste moment dat ik met mijn zoon op de fiets stapte, kreeg hij een helm op. Fietsongevallen komen nu eenmaal veel voor, en kinderen – jonge kinderen in het bijzonder – zijn extra kwetsbaar als het gaat om krijgen van hersenletsel. Ze hebben een relatief groot hoofd, hun motorische vaardigheden zijn nog in ontwikkeling, en ze kunnen zich minder goed afweren bij een val. Dus ook in het kinderzitje is het belangrijk om de helm op te zetten.'

Pleitbezorger
'Als ik in Groningen fiets, kom ik niet veel kinderen tegen met een fietshelm op. Het valt dus wel op, zo'n helm. Dat zou eigenlijk niet moeten. De belangrijkste reden waarom kinderen geen helm dragen, is dat hun vriendjes en vriendinnetjes het niet doen. Hoe ouder ze worden, hoe meer dat gaat meespelen. Mijn zoon zal over een tijdje ongetwijfeld ook gaan tegensputteren. Ik ben zeker van plan om voet bij stuk te houden, maar het zou nog beter zijn als het dragen van de fietshelm de norm wordt in Nederland. Er is recentelijk een campagne in Zeeland geweest, met gratis helmverschaffing en intensieve voorlichting. Dat had effect, maar zodra het intensievere deel van de campagne stopte, liep het helmgebruik weer terug. Dat is heel jammer, want het kan het verschil maken tussen wel of geen hersenletsel bij een fietsongeval. Ik vind dat de helm verplicht gesteld moet worden, zeker bij jonge kinderen. Dat zou per jaar 140 gevallen van ernstig letsel en zelfs vijf sterfgevallen schelen.'

Balans?
'Ik geloof dat het in mijn buurt inmiddels wel een bekend straatbeeld is: mijn zoontje met zijn helm op. Zelfs op zijn loopfiets moet hij de helm op. Ik word er wel eens op aangesproken, maar het is nooit negatief. Ik probeer in mijn eigen kring mensen te overtuigen van het nut van de helm. Maar belangrijker nog is dat we het systematisch gaan aanpakken en de fietshelm bij kinderen verplichten, zodat kinderen niet meer opvallen als ze een helm dragen, maar pas als ze dat niet doen.'

Bron: Medisch Contact, 6 februari 2017

Nieuw middel remt primaire progressieve MS

Het nieuwe medicijn ocrelizumab remt de ziekteprogressie bij primaire progressieve multiple sclerose (PPMS). Dat blijkt uit een studie van Montalban e.a. gepubliceerd in NEJM.

Ocrelizumab is een monoklonaal antilichaam dat zich richt tegen B-cellen. Deze cellen dragen bij, zo is de aanname, aan de pathogenese van MS – ook van PPMS – door antigenpresentatie, de aanmaak van autoantilichamen en de secretie van cytokinen.

10 tot 15 procent van alle patiënten met MS heeft PPMS. Tot op heden waren alle fase-3-trials met deze groep patiënten geen succes, reden waarom er geen gerichte medicatie bestaat. Daar lijkt nu dus verandering in te komen.

Montalban e.a. includeerden 732 personen. Twee derde van hen kreeg intraveneus ocrelizumab, een derde kreeg een placebo. De behandeling duurde in totaal 120 weken of tot het moment dat patiënten een van tevoren bepaald aantal klachten van invaliditeit ondervonden. Elke 12 weken was er een evaluatie. De onderzoekers testten progressie van de ziekte door de mate van invaliditeit vast te stellen met de Expanded Disability Status Scale. Verder keken ze onder meer naar uitkomsten op een loopsnelheidstest en brachten ze met behulp van MRI het aantal laesies in de hersenen in kaart.

Na 24 weken was de ziekteprogressie in termen van invaliditeit 29,6 procent in de ocrelizumab-groep versus 35,7 procent in de placebogroep. Na 120 weken was de loopsnelheid verslechterd met bijna 39 procent in de experimentele groep en met 55 procent in de placebogroep. In de eerste groep was het aantal laesies op dat ogenblik afgenomen met 3,4 procent; in de tweede groep was dat getal gegroeid met 7,4 procent.

Enige ongerustheid spreekt uit de constatering van de auteurs dat neoplasie wat meer voorkwam (2,3%) onder patiënten die het nieuwe middel kregen, tegen 0,8 procent in de placebogroep. Met oog op deze eventueel ernstige bijwerkingen pleiten Montalban e.a. daarom voor langdurigere evaluatie.

Een tweede studie, van Hauser e.a. en gepubliceerd in dezelfde editie van NEJM, laat zien dat ocrelizumab ook effectief is in de behandeling van andere vormen van multiple sclerose waarbij de patiënt met enige regelmaat schubs ondervindt. Effectiever in ieder geval dan het gangbare interferon beta-1a.

DOI: 10.1056/NEJMoa1606468 en DOI: 10.1056/NEJMoa1601277

Bron: Medisch Contact, 20 januari 2017

Ontsmettingsmiddelen in voedingsindustrie leidt tot ernstigere hersenvliesontsteking

Het gebruik van desinfecterende stoffen in de voedingsindustrie kan ertoe leiden dat hersenvliesontsteking minder goed te behandelen is. Uit onderzoek van het AMC blijkt dat hierdoor de patiënten met hersenvliesontsteking door de listeria-bacterie vaker komen te overlijden of met ernstige restverschijnselen herstellen. Het onderzoek is deze week online verschenen in het tijdschrift Clinical Microbiology and Infection. De Gezondheidsraad refereert hieraan in zijn vandaag verschenen onderzoeksrapport ‘Zorgvuldig omgaan met desinfectantia.’

De AMC-onderzoekers kwamen dit op het spoor omdat ze merkten dat patiënten de laatste tijd minder goed genezen van een hersenvliesontsteking die wordt veroorzaakt door de listeria-bacterie. Een goede verklaring was er niet. Het is bekend dat deze bacterie via het voedsel wordt overgedragen. Het kan leiden tot een voedselinfectie en in zeldzame gevallen tot hersenvliesontsteking. Na een lange speurtocht en dna-analyses blijkt dat deze bacterie in toenemende mate ongevoelig aan het worden is voor een ontsmettingsmiddel dat in de voedingsindustrie veel wordt gebruikt. Hier kwamen de onderzoekers tot hun grote verbazing achter. Volgens onderzoeker prof. Diederik van de Beek van het AMC gaat het om een ontsmettingsmiddel dat wordt gebruikt om de machines te reinigen en dat in het voedsel wordt toegevoegd om de kwaliteit van het product te garanderen. “Dat is op zichzelf mooi, maar uit onze analyses blijkt dat er een keerzijde aan zit. Het probleem is namelijk dat de bacterie die ongevoelig is geworden voor het ontsmettingsmiddel, minder gevoelig wordt voor antibiotica waarmee we hersenvliesontsteking behandelen.” Het AMC heeft gegevens van 98 patiënten met hersenvliesontsteking door de listeria-bacterie onderzocht. Het wordt de laatste jaren steeds moeilijker om deze groep patiënten adequaat te behandelen. Van de Beek schat dat voorheen 30 procent van de patiënten niet goed herstelt van de ziekte of overlijdt. “Dat is nu gestegen tot iets meer dan 70 procent. Gelukkig komt deze ziekte niet heel veel voor, maar zorgwekkend is deze ontwikkeling wel.”

 

Bron: AMC, afdeling communicatie, 21 december 2016

Verlamde ALS-patiënt bestuurt stem met gedachten

Een verlamde patiënt kan dankzij een ingreep in het Universitair Medisch Centrum Utrecht met haar gedachten een spraakcomputer bedienen. Artsen plaatsten elektroden op de hersens van de vrouw die haar hersenactiviteit oppikken.

De patiënt lijdt aan de ziekte ALS en kan daardoor niet meer bewegen en praten, maar door het hersenimplantaat kan ze zich toch verstaanbaar maken. ''In feite heeft deze patiënt een soort afstandsbediening in het hoofd gekregen'', aldus professor Nick Ramsey, hoogleraar cognitieve neurowetenschappen.

Het is volgens het ziekenhuis uniek in de wereld dat een patiënt de techniek thuis kan gebruiken. Ze bedient de spraakcomputer door in gedachten haar vingers te bewegen. Zo kan ze op een scherm letters selecteren en woorden vormen die door de computer worden uitgesproken.

Volgens Ramsey gaat het om een belangrijke doorbraak ''in het bereiken van zelfstandige communicatie bij ernstig verlamde patiënten''. Het onderzoek is gepubliceerd in het medisch tijdschrift New England Journal of Medicine.

Bron: www.nu.nl/ANP, 13 november 2016

Risicofactoren beroerte seksegebonden

Jaarlijks worden mondiaal meer mannen dan vrouwen door een beroerte getroffen. Dit komt deels doordat bekende risicofactoren, zoals hypertensie, vaker bij mannen voorkomen. De invloed van seksespecifieke risicofactoren op de incidentie van beroerte is echter nog grotendeels onbekend. Om die in kaart te brengen, hebben Michel Poorthuis e.a. een meta-analyse uitgevoerd waarover zij in Jama Neurology schrijven.

Poorthuis e.a. selecteerden 78 studies waarin bijna 10 miljoen patiënten waren geïncludeerd die een beroerte hadden doorgemaakt of daaraan overleden waren. Vervolgens identificeerden zij verschillende seksespecifieke risicofactoren die de kans op een beroerte (hersenbloeding of herseninfarct) of de kans om hieraan te overlijden vergroten. Eén van deze factoren onder vrouwen is een te vroeg of doodgeboren kind. Daarnaast vergroot een late menopauze (55 jaar en ouder) of een hoge bloeddruk tijdens de zwangerschap de kans op een hersenbloeding . Een vroege menopauze (jonger dan 40 jaar) is een risicofactor om aan een beroerte te overlijden. Specifieke risicofactoren onder mannen zijn erectiele dysfunctie en antihormonale therapie bij prostaatkanker. Aangezien erectiele dysfunctie zowel bij mannen met vasculaire ziekte als bij mannen zonder vasculaire ziekte voorkomt, is het nog niet duidelijk waarom dit tot een verhoogde kans op beroerte leidt. De relatieve risico's van de genoemde risicofactoren varieerden tussen de 1,21 en 5,08.

Bron:Medisch Contact, 17 november 2016

Artsen onderzoeken behandeling veel voorkomende gezondheidsproblemen

Nederlandse artsen gaan de behandeling van zes veel voorkomende gezondheidsproblemen onderzoeken. De zes groepen medisch specialisten gaan elk op hun eigen vakgebied in de komende maanden deze onderzoeken verrichten.

Dit schrijft De Telegraaf. Het gaat om neurologen, orthopeden, anesthesiologen, kno-artsen, gynaecologen en kinderartsen. Zij worden ondersteund door hun wetenschappelijke verenigingen en de Federatie Medisch Specialisten.

Zo wordt gekeken naar polsbreuken en of gips of een operatie daarbij effectiever is en of een zenuwbeknelling in de hand (carpaletunnelsyndroom) altijd chirurgisch moet worden benaderd. Bovendien wordt onderzocht of een kijkoperatie of een MRI-scan het beste resultaat heeft voor een patiënt bij wie de huid van het trommelvlies het middenoor is ingegroeid (cholesteatoom). 

Ondergeschoven kindje
"Noem het de huis-, tuin- en keukenkwalen binnen de medische wetenschap. Ze zijn een eeuwig ondergeschoven kindje, waar nauwelijks op wordt gelet. Misschien kunnen ze wel met betere resultaten en met minder last voor de patiënt, maar ook efficiënter en dus kostenbesparend, worden uitgevoerd", aldus neuroloog dr. Esther Verstraete tegenover De Telegraaf.

De medisch specialisten verwachten dat elke geïnvesteerde euro op termijn drie euro zal besparen.

Bron: nu.nl, 26 oktober 2016

Androgeendeprivatie geassocieerd met dementie

Mannen die androgeendeprivatietherapie (ADT) gebruiken vanwege prostaatkanker, dementeren gemiddeld eerder dan leeftijdsgenoten zonder ADT. Een causaal verband staat daarmee nog niet vast, maar deze bevinding van Kevin Nead e.a. sluit aan bij eerder onderzoek dat een verband legde tussen ADT en cognitieve achteruitgang. De resultaten staan in JAMA Oncology.

De Amerikanen van onder meer de Stanford-universiteit gebruikten een slimme tekstverwerkingsmethode om snel uit elektronische dossiers gegevens te halen, van alle patiënten met prostaatkanker die in de periode 1994-2013 de diagnose kregen, en van wie follow-up beschikbaar was. Het ging om 9455 mannen (gemiddeld 67 jaar), van wie er 183 geëxcludeerd werden omdat ze bij de diagnose prostaatkanker ook al bekend waren met dementie. Ze keken naar alle vormen van dementie.

Ongeveer één op de vijf mannen onderging hormonale therapie. Er was een statistisch significant verband tussen ADT en de kans op dementie. In vergelijking met de mannen die geen ADT kregen, kwam dementie ongeveer twee keer vaker voor, waarbij gecorrigeerd was voor mogelijke confounders, zoals leeftijd, roken en relevante comorbiditeit. Vooral bij 70-plussers ging ADT veel vaker gepaard met een dementieel syndroom: na vijf jaar 13,7 procent in vergelijking met 6,6 procent bij leeftijdsgenoten zonder ADT.

In een persbericht dat Stanford bij het artikel rondstuurde, zegt eerste auteur Kevin Nead dat patiënten nu niet meteen met hun behandeling moeten stoppen, zeker omdat prospectief onderzoek deze resultaten nog moet bevestigen.

Bron: Medisch Contact, 14 oktober 2016

Expertise in ernstig hersenletsel gebundeld

Het eerste landelijke expertisenetwerk voor mensen met ernstig niet-aangeboren hersenletsel is vandaag van start gegaan. Het netwerk vormt een brug tussen praktijk, wetenschap en onderwijs, zodat mensen met ernstig hersenletsel na een coma niet meer 'tussen wal en schip vallen'. Dit heeft het Radboudumc bekendgemaakt.

Veel mensen met niet-aangeboren hersenletsel (NAH) kampen met zulke ernstige gevolgen dat zij intensieve behandeling en zorg nodig hebben, soms zelfs 24-uurszorg. Aan dergelijke behandelingen gericht op herstel is in Nederland een gebrek, vooral voor mensen ouder dan 25 jaar met langdurige bewustzijnsstoornissen.

Ook is vaak onduidelijk waar mensen met NAH die chronische zorg nodig hebben, terecht kunnen. De initiatiefnemers van het netwerk streven naar intensieve behandeling en begeleiding. Het netwerk maakt een samenhangend traject mogelijk met zorg op maat in alle fasen van het hersenletsel.

In een persbericht stelt het Radboudumc: 'De gedeelde passie voor de doelgroep is de basis voor de partijen om hun jarenlange ervaring en expertise te bundelen, zodat de zorg voor mensen met de meest ernstige vormen van NAH en hun naasten wordt verbeterd. Daarnaast biedt het netwerk de mogelijkheid om systematisch onderzoek te doen naar de beste vormen van behandeling.'

Netwerkpartners zijn de onderzoeksgroep 'Niemand tussen Wal en Schip' van de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde van het Radboudumc, kenniscentrum langdurende zorg Vilans en een reeks zorgcentra.

Bron: Medisch Contact, 14 oktober 2016

Ouderen met plotselinge lage bloeddruk hebben meer kans op dementie

Ouderen die bij te snel opstaan last hebben van een plotselinge lage bloeddruk, hebben op latere leeftijd een verhoogd risico op dementie. 

Dat concludeert het Erasmus MC in een onderzoek.

Bijna 20 procent van de 55-plussers heeft last van een lage bloeddruk bij het opstaan, ook wel orthostatische hypotensie genoemd. Bij 75-plussers is dit zelfs een op de drie ouderen.

Door de zwaartekracht daalt de bloeddruk in het lichaam bij opstaan tijdelijk. Om dit te compenseren moet het hart sneller werken, waarna de bloeddruk weer stijgt. Bij ouderen gaat dit minder snel.

Flauwvallen
"Het zwart worden voor de ogen en soms flauwvallen komt omdat er tijdelijk te weinig bloed naar de hersenen gaat en er dus weinig zuurstof in de hersenen is. Als dit vaak gebeurt, veroorzaakt dit schade aan de hersenen die op langere termijn het risico op dementie verhoogt", aldus de onderzoekers.

Volgens het Erasmus kunnen zelfs kleine schommelingen in de bloeddruk de oorzaak van dementie zijn. De oorzaken van zo'n lage bloeddruk bij het opstaan zijn heel verschillend. Vaak hangt het vaak samen met ziektes als diabetes. Maar bloeddrukverlagende middelen kunnen eveneens de aanleiding zijn.

Langzaam opstaan
Het goede nieuws is volgens het Erasmus dat ouderen zelf rekening kunnen houden met de kwaal: het zwart worden voor de ogen kan vermeden worden door langzaam op te staan.

De resultaten van hun onderzoek, op basis van gegevens van ruim 6000 mensen, zijn deze week gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PLoS Medicine.

Bron: nu.nl/ANP, 12 oktober 2016

Wetenschappers willen meer onderzoek naar omgevingsfactoren en dementie

Experts hebben een nieuwe lijst met omgevingsfactoren opgesteld die mogelijk van invloed zijn op de ontwikkeling van dementie. Op deze lijst staan onder andere hoogspanningsleidingen, een vitamine D-tekort en blootstelling aan luchtverontreiniging.  

Dit schrijft de BBC op basis van onderzoek door de Universiteit van Edinburgh dat gepubliceerd is in The Journal of BMC Geriatrics. De onderzoekers willen dat toekomstig onderzoek zich op deze factoren zou moeten richten. 

Voor dit onderzoek werden 4.784 onderzoeken gescreend. 

Dementie wordt voornamelijk in verband gebracht met levensstijl: een hoge bloeddruk, roken, obesitas, diabetes, depressie, een laag opleidingsniveau en genetische factoren. De onderzoekers zeggen dat een derde van het risico op dementie onverklaarbaar is. Nu willen ze dus uitzoeken of er meer factoren van invloed zijn. 

131 miljoen mensen
Dokter Tom Russ van het  Alzheimer Scotland Dementia Research Centre zegt blij te zijn met de ontdekking: "We kunnen iets doen aan omgevingsfactoren". 

Er zijn gemiddeld 47 miljoen mensen wereldwijd die dementie hebben, in 2015 zijn dit er naar schatting 131 miljoen.

Bron: nu.nl, 12 oktober 2016

Deskundigen op online forum voor MS-patiënten

Het deskundigheidsforum op MSweb, bedoeld voor mensen met multipele sclerose, is een succes. Sinds de start, op 1 januari van dit jaar, stelden patiënten online talloze vragen aan professionals. Behalve de vragenstellers zien ook honderden andere patiënten de antwoorden.

Op het deskundigheidsforum, één van de fora op de website, kunnen MS-patiënten een vraag stellen aan een deskundige hulpverlener. Binnen drie dagen komt het antwoord op de site te staan – zichtbaar voor alle ruim 1000 mensen die zich inmiddels voor het forum hebben aangemeld. Zij kunnen het antwoord lezen; alleen de vragensteller kan er opnieuw op reageren. Zo voorkomen de initiatiefnemers de oeverloze discussies waar andere fora nogal eens onder te lijden hebben.

Lees het gehele bericht.

Bron: Medisch Contact, 30 september 2016

Big-data onderzoek naar Parkinson, met respect voor privacy

Data van 650 Nederlandse parkinsonpatiënten kunnen straks op grote schaal worden geanalyseerd, onder meer door een zusterbedrijf van Google. Het gaat om een proef met een nieuwe techniek waarmee medische data veilig kunnen worden uitgewisseld, bedacht door de Nijmeegse professor Bart Jacobs. Patiënten kunnen daarbij zelf kiezen wie toegang heeft tot hun medische gegevens. Die gegevens worden onder meer verzameld met een slim polshorloge dat de elektrische activiteit van de hersenen en hartspier kan meten. Met de proef willen wetenschappers onderzoeken waarom sommige parkinsonpatiënten veel last hebben van de ziekte en in een rolstoel komen, terwijl andere patiënten nog jarenlang rondlopen.

Lees meer op de website van de NOS.

Bron: NOS, 30 september 2016

Samen op weg naar de allerbeste dementiediagnostiek: NGN opgericht

In Nederland is veel expertise op het gebied van dementiediagnostiek beschikbaar, maar de kennis is veelal versnipperd. Om dit tegen te gaan hebben de ruim 100 Nederlandse geheugenpoli's hun krachten gebundeld en het Nederlands Geheugenpoli Netwerk (NGN) opgericht. Zo kunnen zij hun kennis en ervaringen uitwisselen over verschillende werkwijzen en diagnostische onderzoeken. De vier academische Alzheimercentra zijn ook in het netwerk opgenomen, zodat ook de nieuwste uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek in het netwerk worden gedeeld en toegepast. Zo kunnen de geheugenpoliklinieken samen de kwaliteit van zorg verbeteren.

Na een enthousiasme peiling en een kick-off, geeft een kerngroep van het NGN op dit moment vorm en inhoud. Dit proces is onlangs afgerond met de vorming van een dagelijks bestuur waarin verschillende disciplines, zoals neurologen en geriaters vertegenwoordigd zijn. Kenniscentrum Vilans ondersteunt het NGN. 

Bron: Stichting Vilans, 20 september 2016

Risico’s gebruik 4-FA groter dan tot nu toe bekend

Steeds meer jongvolwassenen weten de nieuwe psychoactieve stof 4-fluoramfetamine (4-FA, 4-FMP) te vinden. Recent onderzoek van het Trimbos-instituut en Jellinek laat zien dat het gebruik ervan de afgelopen jaren flink is toegenomen. De effecten van 4-FA zitten tussen die van ecstasy en amfetamine in en gebruikers omschrijven het ook wel als ecstasy-light. Recente incidenten wijzen erop dat er grote gezondheidsrisico’s zitten aan het gebruik ervan, waaronder hartproblemen en hersenbloedingen.

Het Trimbos-instituut publiceerde vandaag een persbericht hierover. Het volledige persbericht kunt u lezen via deze link. 

Voor behandelaars is er nog een aanvullend document beschikbaar met aandachtspunten t.a.v. klinisch beeld, diagnostiek en behandeling bij een 4-FA intoxicatie.

Bron: Trimbos Instituut, 5 september 2016

Nieuw alzheimermedicijn vermindert plaquevorming

Het experimentele middel aducanumab reduceert bij patiënten in het beginstadium van de ziekte van Alzheimer de hoeveelheid bèta-amyloïd-plaques aanzienlijk. Dat blijkt uit onderzoek van een groep Amerikaanse en Zwitserse neurologen, waarvan de resultaten in Nature zijn gepubliceerd.

Dat lijkt veelbelovend, maar in het alzheimeronderzoek zijn in het recente verleden wel vaker medicijnen met hooggestemde verwachtingen verwelkomd. Teleurstellingen waren er niettemin plenty: trials faalden omdat de medicijnen niet krachtig genoeg waren, omdat ze de bloed-hersenbarrière niet passeerden, omdat ze toxisch waren, omdat het prille resultaat in grotere studies op toeval bleek te berusten, of omdat er schadelijke bijwerkingen aan het licht kwamen. De site alzforum.org/therapeutics houdt bij welke middelen momenteel (in verschillende fasen van onderzoek) worden getest op de mate waarin ze de ziekte van Alzheimer afremmen of zelfs voorkómen. Wat daarbij onmiddellijk opvalt is het grote aantal trials dat inmiddels al weer is stopgezet wegens gebrek aan succes.

De tekst van het volledige artikel is te lezen via deze link. 

Bron: Medisch Contact, 2 september 2016

Nieuwe behandelingsmethode essentiële tremor

Onderzoekers hebben een nieuwe methode gevonden om essentiële tremor te behandelen. In de publicatie in the New England Journal of Medicine beschrijven ze een methode, waarbij wordt gebruik gemaakt van 'gefocusseerde ultrageluidsgolven', die de cellen doden in het deel van de hersenen die de tremor veroorzaken.

Essentiële tremor
Ongecontroleerde trillingen van het lichaam komen bij ieder persoon weleens voor.
Voor sommige mensen wordt hun dagelijks functioneren beïnvloedt door constante en hevige trillingen (tremor). Als hier geen andere neurologische aandoening aan te wijten is, spreken we over essentiële tremor.

Huidige methoden
Bij ongeveer 60% van de patiënten wordt de aandoening behandelt met medicijnen. Het nadeel hiervan is dat deze op de lange termijn hun effectiviteit verliezen. Een alternatief is dan een hersenoperatie waarbij diepe brein stimulatie (DBS) wordt toegepast. Bij deze invasieve methode wordt een neurostimulator in het lichaam aangebracht die kleine stroomstootjes afgeeft om de hersenen te stimuleren. Ook deze behandeling is niet voor iedereen geschikt en het vereist een ingrijpende operatie. Daarnaast lopen patiënten de rest van hun leven rond met het ingebrachte apparaat.

Gefocusseerde ultrageluidsgolven
In tegenstelling tot DBS is de nieuwe methode niet-invasief. Dat wil zeggen dat er geen lichamelijk ingreep vereist is. Er wordt gebruikt gemaakt van gefocusseerde ultrageluidsgolven (straling gericht op één punt) die worden aangestuurd door een MRI-scanner. De geluidsgolven zorgen ervoor dat de cellen die de tremor veroorzaken worden afgebroken. Een dergelijke behandeling duurt een dag, maar kan herhaald worden mochten de verschijnselen terugkeren.

Resultaten
Onderzoekers hebben de nieuwe methode getest met een groep van 76 patiënten, waarbij de huidige methoden geen succes boekten. 3 maanden na de behandeling was er een zichtbare verbetering in de ongecontroleerde bewegingen van de handen. Deze verbeteringen bleven minstens een jaar zichtbaar en het merendeel van de patiënten bleek uiteindelijk volledig af te zijn van de tremor. Voor deze groep verbeterde de kwaliteit van leven aanzienlijk, waardoor zoiets als zelf kunnen eten weer vanzelfsprekend is.

Ondanks de positieve resultaten zijn er bijwerkingen die mogelijk kunnen optreden na een behandeling. Bij een deel van patiënten ging het om klachten als moeite met lopen en gedeeltelijke verlamming van het gezicht of de handen. Alleen in de meest uiterste gevallen bleven deze klachten tot een jaar na behandeling aanhouden.

Prevalentie
In Nederland worden circa 450.000 mensen van 40 jaar en ouder getroffen door deze aandoening. Meestal beginnen de eerst klachten gemiddeld op 45-jarige leeftijd. Zowel bij mannen als vrouwen komt het even vaak voor.

Bron: The New England Journal of Medicine, 29 augustus 2016

Zwangere Franse vrouwen namen gevaarlijk middel

In de periode 2007-2014 hebben meer dan 14.000 zwangere Franse vrouwen een middel tegen epilepsie gebruikt dat gevaarlijk is voor het ongeboren kind. Dat heeft de Franse inspectie voor de Volksgezondheid (ANSM) bekendgemaakt.

Minister van Volksgezondheid Marisol Touraine zegt dat er een onderzoek komt naar de gevolgen die het gebruik van het middel voor de kinderen van deze vrouwen heeft gehad.

Het anti-epilepsiemiddel Depakine wordt door het bedrijf Sanofi op de markt gebracht. Het is een van de meeste gebruikte middelen tegen epilepsie. De werkzame stof is valproïnezuur, dat ook wordt gebruikt door andere fabrikanten.

Ongeboren kinderen die het via de moeder binnenkrijgen, hebben een verhoogde kans op autisme, groeistoornissen en verminkingen in het gezicht.

Volgens een studie uit 2011 van het UMC Utrecht is de kans op een afwijking bij een ongeboren kind dat een hoge dosis binnenkrijgt 23 procent. Uit diezelfde studie blijkt dat vrijwel alle middelen tegen epilepsie gevaarlijk zijn voor foetussen.

Ouders
In Frankrijk stellen ouders van kinderen die gezondheidsschade hebben geleden de staat verantwoordelijk. Volgens hun belangenorganisatie is de overheid te laat geweest met waarschuwen voor het gevaar. Dat het middel schadelijk was, zou al in de jaren 80 bekend zijn geweest.

Ook denken zij dat er veel meer slachtoffers heeft gemaakt; 50.000 sinds het middel in 1967 op de markt kwam.

Volgens een andere Franse overheidsinstelling zijn er in Frankrijk tussen 2006 en 2014 ruim 400 kinderen met afwijkingen geboren als gevolg van blootstelling aan Depakine. Minister Touraine zei dat zij met een voorstel komt voor een schadevergoeding.

Nederland
Bij neurologen in Nederland is al langer bekend dat het gebruik van anti-epilepsiemiddelen bij zwangerschap kan leiden tot gezondheidsrisico's, zegt Selma Tromp van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. "Vrouwen die een kinderwens hebben, worden hier doorverwezen naar hun neuroloog die de risico's met ze zal doornemen. In veel gevallen wordt dan een ander medicijn voorgeschreven, dat minder risico's met zich meebrengt."

Bron: NOS.nl, 24 augustus 2016